Stan Rams Wilhelmus blues Victoria Plazza Amsterdam 2014
Tekst Wilhemus van Orange
Wilhelmus van Nassouwe,
blijf hij tot in den dood,
In Godes vrees leven,
daar dees de Mammoth,
zijn ziel heeft gegeven,
terend van ’t burgers brood.
Zo bidt God nacht ende dag,
dat Hij u helpen mag,
Gij, o God de Heer,
op U alleen mens kan bouwen,
God, onze Heer, het zoet, alleen
doet maken alles rein en goed.
Zo doet dees zotte prins,
naar nat en zoet verlangen,
met zijn pracht en praal,
en gemaekt gegroet,
welk is, dat hij meent te leven,
door de Heer verheven
ten dienste van volk en vaderland,
als een held met een rein gemoed.
Zo het den wil is des Heren,
van hierboven,
die alle dingen regeert,
Bid dat Hij ziel en vaderland zal dienen,
harten en ’t geweten zal maken een en rein,
van onschuld goed en fijn.
Oorlof, weet gij arme schapen zijt in groten nood,
uw herder zal edoch niet slapen,
al zijt gij noch zozeer verstrooid,
tot God haast u zich te begeven,
zijn heilzaam woord neemt dat aan,
als vrome broeders en zusters elkander lief te hebben,
daar ’t zal hier haast zij gedaan.
Bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij u helpen mag,
God de Heer, waarop U steeds kunt bouwen,
God, het zoet,
dat u schapen met ere in het veld gebied te leeven,
als broeders en zusters met een rein geweeten,
Den Graaierd van den Troon doen verdweijnen
met een blij gemoed.
Voor God haast U te belijden,
tot Zijner groten macht,
dat U ten alle tijden,
Koning Jesus verwacht,
God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
in den gerechtigheid.
Vertaling/transcriptie door Jan de Pet
De originele tekst van het Wilhelmus
Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij, onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.
In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.
Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.
Lijf ende goed tezamen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders, hoog van namen
hebben ’t u ook vertoond
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in ’t eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.
Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.
Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t’aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.
Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar Dijn,
dat zij mij niet verrassen
in haren bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.
Als David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.
Na ’t zuur zal ik ontvangen
van God, mijn Heer, het zoet,
daar na zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
welk is, dat ik mag sterven
met ere in het veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.
Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.
Als een prins opgezeten
met mijner heireskracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig in dat veld.
Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.
Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.
Oorlof mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,
’t zal hier haast zijn gedaan.
Voor God wil ik belijden
en Zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in den gerechtigheid.



